Verklarende woordenlijst

abdij, abt
monnikenklooster met aan het hoofd een abt (van abbas = vader)

absis
(ook als 'apsis' geschreven); halfronde afsluiting van het koor in middeleeuwse kerken

allodiaal
geheel vrij in eigendom, zonder leenverplichtingen

ambachtsheer
eigenaar van een ambachtsheerlijkheid, waarvan hij ook de vruchten krijgt

baljuw
grafelijk ambtenaar belast met de hogere rechtspraak

cartularium
verzameling en opsomming van charters , testamenten, contracten, brieven van vooral geestelijke overheden en andere historisch belangrijke stukken

castella
(meervoud van castellum) een castellum is een kleine Romeinse legerplaats. In Nederland lagen er langs de Rijn ongeveer 20 castella

charter
op perkament geschreven akte

duit
sinds de 14e eeuw benaming van munten van ¼ groot of één-achtste stuiver , aanvankelijk in zilver, na 1573 in koper

feodaal
onder heerschappij van de adel, onder het leenstelsel

forum
een forum is een plein of een marktplaats waar in de Romeinse tijd het volk bijeen kwam. Ons Forum Hadrianum is de Romeinse nederzetting, die van keizer Hadrianus in 121 na Christus marktrechten verkreeg

fossa
Latijn voor gracht (van fodere - fossum = graven)

groot
algemene benaming voor de grotere zilverstukken, die vanaf het einde van de 13e eeuw werden geslagen. De groot werd in de noordelijke gewesten ingedeeld in 8 penningen, in de zuidelijke gewesten in 12 penningen of 24 mijten. Nadat in de 15e eeuw de stuiver de basis van het muntstelsel was geworden, was 'groot' de benaming voor de halve stuiver

hond of hont
oppervlaktemaat. In Rijnland: 0,14 ha

kathedraal
kerk waarin zich een bisschopszetel (kathedra) bevindt

karolusgulden
nieuwe munt van 20 stuivers onder Karel V (1515- 1555), eerst als goudstuk. Hoofdmunt van het geld-stelsel in de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden

lauwerisgeld
jaarlijkse rente, die de erfpachters op St. Laurensdag (10 augustus) aan de eigenaar van de buitenplaats 'De Loo' moesten betalen. Bij de afdracht van het Lauweris-geld werden de pachters onthaald op brood, haring en bier

liturgie
letterlijk: eredienst, maar ook orde van dienst bij kerkelijke vieringen

maarschalk
letterlijk: knecht van paardenstal
1. hoogste opziener van een hofhouding;
2. hoge rang bij opperofficieren

made
letterlijk: land dat gemaaid kan worden. Hier gebruikt in 'vroenemade' = (maai)land van de heer

memoriboec
Voorburgs register en cartularium , waarin de pastoors vanaf 1435 tot 1566 aantekening hielden van aan de kerk nagelaten gelden en goederen en welke erediensten zij ter nagedachtenis moesten houden

morgen
oppervlaktemaat. Het stuk land dat een boer in één morgen kon ploegen. In Rijnland: 0,85 ha

municipium
burgerlijke nederzetting in de Romeinse tijd

orangerie
oorspr. broeikas voor citrusbomen, met name sinaasappels en citroenen; later: broeikas voor bloemen en planten

overtocht of overtoom
installatie, waarmee schepen door middel van lieren van een hoger naar een lager riviergedeelte werden getrokken (en omgekeerd); voorloper van de schutsluis. In dit boek: de overtoom bij Leidschendam ter hoogte van de huidige sluisjes

patroon
1. beschermheer;
2. beschermheilige;
3. werkgever

penning
1. Tot in de 18e eeuw gebruikte uitdrukking voor munt in het algemeen (vooral uitdrukkingen als penning van 4 groten , 8-stuiverspenning);
2. De enige in de 8e tot en met de 13e eeuw geslagen munt, de zilveren penning. Men onderscheidt Hol- landse, Vlaamse, Keulse penningen enzovoorts, alle van onderscheiden gewicht en waarde;
3. benaming van de kleinste eenheid in latere Nederlandse muntreeksen, ter waarde van een ½ duit

pond
oorspronkelijk gewicht van 240 penningen, in de 16e eeuw gebruikt in enkele vaste combinaties:
pond Hollands van 40 groten = 1 gulden (munten van 1 pond zijn onder deze naam in de Nederlanden niet geslagen); pond Vlaams 20 schellingen van 12 groten = 6 gulden

prebende of prove
inkomsten uit kerkelijke goederen

ritus
godsdienstige gebruiken en ceremonies

roede
als lengtemaat; In Rijnland: 3,767 m.; als oppervlaktemaat: 14,19 m2, later: 1 are; wordt echter ook gebruikt als symbool van de wereldlijke of geestelijke rechtsmacht

strandwal
een duinenrij die is ontstaan in de prehistorische tijd, toen de zeespiegel ging stijgen. De Voorburgse strandwal is ongeveer 3000 jaar voor Christus ontstaan

stuiver
in het begin van de 15e eeuw benaming voor het grootste zilverstuk, de dubbele groot . Sindsdien de basis van het muntstelsel in alle Nederlanden. In de 15e en 16e eeuw ontwikkelde de waarde van de stuiver zich verschillend in de afzonderljke gewesten. In de Bourgondische tijd kwam een stuiver van 1/20 gulden in gebruik

transept
dwarsschip van een kerk

voet
lengtemaat, in Rijnland: 31,4 cm

vroen(e)
letterlijk: van de heer; zie onder 'made '

warmoezier
groentekweker

< terug naar index